woensdag 12 september 2007

Openklaringen 15, 1-7


1 Dat ik met redenen omkleed besta
komt door herhaling van bevestiging.
Ik prent mij mijn bestaan in.
Ik denk het leven nieuw.

2 Mijn daden schreeuwen om de waarden
uit (on) zinnigheden achteraf.
Ik zegen ze, bekrachtig ze,
veracht ze fel,
en hou van ze.

3 Ik kan niet zonder ze.

4 Zo keert alles in mij terug.
Als geweerde geesten in een spookhuis.

5 Mij bezwerend in bevestiging
van zeker weten
wie ik ben geweest en wat ik
daarom zijn zal.

6 Een met redenen omklede herhaling
van semi-permeabel plasma
zonder uitzondering
van naam en wederkeer.

vrijdag 7 september 2007

Openklaringen 14, 1


1 Het regent nu al weken spijkers.
Geen levend wezen heeft verweer.
De weke mens wankelt getroffen.
Een ieder zijgt ter aarde neer.
In wanhoop baden wij den Hemel.
Deze kruisdood sneed ons allen zeer.
Doch de Wrake zelf bleek gebroken.
Ook Zijn Wil wist van niets dit keer.
Verscheurd liet Hij ons allen weten;
'Nooit meer komt er een messias neer.
Verlossing is zojuist gevonden.
Dood in de badkuip van de Heer.
In diepe pijn sneed zij zichzelve.
Haar bloed stort neer als spijkerweer.
Verwaarlozing heeft Haar gedreven.
Haar dood nagelt U allen neer.'
Verbijsterd smakten wij ter aarde.
Plots was er geen Genade meer.
Enkel de Duivel bood nog uitkomst.
Niets stond Hem in de weg dit keer.
Echt lang waren wij niet wankelmoedig.
Wij vereerden Hem zonder ommekeer.
Van vrije wil was hier geen sprake.
Wij moesten wel.

Het was noodweer.

maandag 3 september 2007

Openklaringen 13, 1-7


1 In mijn netvlies
Hurkt een visser
Aan de oever
Van zijn eigen taal.

2 Ongenaakbaar
Trekt zijn wil
Kromme lijnen
Door het water.

3 Zonlicht scheert de woorden kaal.

4 Op de rivier
Draaien waterdragers
Onder de brug
Van hun gelijkenis
Door.

5 Zij zoeken een zin
Die niemand ooit had
Die niemand verloor.

6 De visser rijkt
subliminaal
naar een
Archaisch gebleekte taal

7 Zijn werk lijkt niet op wassend water
Dat van omhoog naar laag verschiet
Knoop zijn netten in uw oren
Zijn woorden zijn het water niet.

donderdag 30 augustus 2007

Openklaringen 12, 1-4



1 Vannacht had ik een vreemde droom.

Ik keek naar Jezus aan het kruis.
De discipelen zongen allen Ohm.
Toen werd het stil. Ikzelf incluis.


2 Zwijgend hing Hij daar. Genageld.
Zonder vloeken. Zonder klacht.
Azijn droop op de zijden nacht.
Soldaten stonden er. Genageld


3 aan de grond. Zo leek Hij niet alleen.
Het maanlicht kierde. Als een zaallicht.
Ik woelde in mijn slaap. Verdween.
De Dood verscheen met mijn gezicht.


4 Hij keek naar mij. Zuchtte en stierf.
Het duurde slechts een ogenblik.
Het inzicht dat mijn droom verwierf
was dit: Het Leven en de Dood ben ik.

Openklaringen 11, 1-4


1 Onder de golfslag bewolkt het weleer.
Achter weleer hunkerringen naar niet.
Boven het niet trekken stenen van leer.
Voor het leer zingt het staalvuren riet.


2 Links van Mij vallen tienduizend handen.
Buiten mijn handen lekt de lege woestijn.
Rechts van Mij eten bosbramen branden.
Binnen verbranden zakken heilige wijn.


3 Over de aarde lopen praatgrage doden.
Op deze doden drinken Goden een glas.
Met glazige blik worden woorden geboden.
Door de geboden vermenigvuldigt moeras.


4 Tussen de raderen malen de kiezen.
In het kiezen krioelt nat gezoen.
Na het liefhebben begint het bevriezen.
Uit ijzige golven springen wolken van toen.

zaterdag 25 augustus 2007

Openklaringen 10, 1-5

1 Gisterenmiddag passeerde ik
een mongooltje op haar fiets.
Met haar gezicht van volle maan
keek ze me onbevangen aan.
Haar bolle ogen grepen naar
de onrust in mijn blik.

2 Ik wist niet waar te kijken.
Onnozelheid verward. Zaait angst.
Wat zij in een ogenblikje ving
heet volgens Freud herkenning.
En mijn erkennen van haar vangst
zou ons maken tot gelijken.

3 Zover liet ik het niet komen.
Kordaat trad ik haar tegemoet.
Rukte haar -Plop!- de ogen uit.
Zonder snik, kik, of geluid
likte haar dikke tong wat bloed
en traanvocht van haar konen.

4 Haar ogen deed ik aan een lint
en hing dat om mijn hals.
Van goed gedrag is nu haar kijk.
Bewezen is dus mijn gelijk.
Al gebeurt er soms wat mals
wanneer ik mijn trofee bekijk.

5 Dan schrei ik als een idioot.
Dan weet ik wat ons bindt.
Ook ik wordt eenmaal uitgeloot
en door het lot verblindt.

maandag 20 augustus 2007

Openklaringen 9, 1-4


1 Een oude echo beukt van binnen
tegen mijn gebarsten huid.
Tegen mijn geworpen botten.
Achter weggedroomde slapen.


2 Iets met primitieve zinnen
wil ontsnappen. Wil eruit.
Wil wild en ongetemd ravotten.
Wil vrouwtjes onder bomen kapen.


3 Mijn homo sapiens blijkt gevlogen.
Mijn mond valt kwijlend verder open.
Ik gebruik mijn borst als trom,
en slinger door de binnenstad.


4 Mijn vrouw keek mij diep in de ogen.
Meteen is zij een kooi gaan kopen.
Daar zit ik in. Behaard en dom.
Heeft Darwin toch gelijk gehad.