maandag 4 juni 2007

Dialeugen 1, 1-3

1 Er staat een grote, oude, bruin leren fauteuil op het toneel. Naast de stoel een schemerlamp. Aan de andere kant een apparaat. Het lijkt op een cassetterecorder. Er zit een man in de stoel. Zijn gezicht is niet zichtbaar. Hij lijkt een hoed te dragen. Het toneel is verder leeg en doet kaal aan. De man steekt zijn hand uit naar de schemerlamp. Hij trekt aan een schakelaar. De schemerlamp gaat aan. Het gezicht van de man wordt flauwtjes verlicht. 2 Zijn ogen kun je niet zien. Het is stil, erg stil. Eigenlijk is het té stil. Na een tijdje bukt de man en zet het apparaat aan. Een geroezemoes weerklinkt. Stemmen. Ze praten door elkaar heen. Flarden zijn verstaanbaar.

3 Dan klinkt er EEN STEM, duidelijk boven alles uit.



Geen opmerkingen: