zaterdag 21 juli 2007

Dialeugen 4, 1-4

1 ‘Ik ben er in ieder geval eens op gaan letten. En er begon me na een tijdje iets op te vallen. In al die dialogen draait het om overtuigen. Het doet er daarbij totaal niet toe wat het onderwerp is. Ik kies het namelijk niet. Het doet het, in mij. Het praat en het geef antwoord. Het beargumenteert, het pareert. Het laat mij meeslepen. Het ontsteekt in woede soms. Het sust, breekt af, vleit, jankt en huilt, gedraagt zich ongenaakbaar en arrogant. Maar het blijft overtuigen. En dat het, dat schijn ik dan te zijn. 2 Ik preek voor een innerlijke parochie vol tegenstrijdigheden die ik allemaal van repliek dien. Of bijval, afwijs of uitwerp. Het maakt niet uit. Iedereen is in mij aanwezig. En als grootgebruiker van innerlijke stemmen creëer ik uit die kakofonie van geluid, geleuter en rechtvaardigingen tegelijkertijd de wankele identiteit die ik denk te zijn. Het schijnwezen dat ik IK noem. Mijn bestaan. IK DE MENS. De kroon op de schepping. De meester van het universum. 3 U kent die uitspraak wel: 'Ik denk, dus ik ben'. Helemaal waar. Maar wat ben ik dan? Ik ben geen heerser, ik zie dat ik een gevangene ben. Vastgeketend aan innerlijke dialogen. Aan gelul dat mij regeert. Ik ben hier de koning zonder kleren'.

4 Er klinkt applaus

Een stem roept:

LEVE DE KONING

Hoera Hoera Hoera

Voor de

KONING.’

Een gejuich barst los, sterft dan langzaam weg…

DE STEM vervolgt...

Geen opmerkingen: