donderdag 30 augustus 2007

Openklaringen 11, 1-4


1 Onder de golfslag bewolkt het weleer.
Achter weleer hunkerringen naar niet.
Boven het niet trekken stenen van leer.
Voor het leer zingt het staalvuren riet.


2 Links van Mij vallen tienduizend handen.
Buiten mijn handen lekt de lege woestijn.
Rechts van Mij eten bosbramen branden.
Binnen verbranden zakken heilige wijn.


3 Over de aarde lopen praatgrage doden.
Op deze doden drinken Goden een glas.
Met glazige blik worden woorden geboden.
Door de geboden vermenigvuldigt moeras.


4 Tussen de raderen malen de kiezen.
In het kiezen krioelt nat gezoen.
Na het liefhebben begint het bevriezen.
Uit ijzige golven springen wolken van toen.

Geen opmerkingen: