zaterdag 25 augustus 2007

Openklaringen 10, 1-5

1 Gisterenmiddag passeerde ik
een mongooltje op haar fiets.
Met haar gezicht van volle maan
keek ze me onbevangen aan.
Haar bolle ogen grepen naar
de onrust in mijn blik.

2 Ik wist niet waar te kijken.
Onnozelheid verward. Zaait angst.
Wat zij in een ogenblikje ving
heet volgens Freud herkenning.
En mijn erkennen van haar vangst
zou ons maken tot gelijken.

3 Zover liet ik het niet komen.
Kordaat trad ik haar tegemoet.
Rukte haar -Plop!- de ogen uit.
Zonder snik, kik, of geluid
likte haar dikke tong wat bloed
en traanvocht van haar konen.

4 Haar ogen deed ik aan een lint
en hing dat om mijn hals.
Van goed gedrag is nu haar kijk.
Bewezen is dus mijn gelijk.
Al gebeurt er soms wat mals
wanneer ik mijn trofee bekijk.

5 Dan schrei ik als een idioot.
Dan weet ik wat ons bindt.
Ook ik wordt eenmaal uitgeloot
en door het lot verblindt.

Geen opmerkingen: