maandag 3 september 2007

Openklaringen 13, 1-7


1 In mijn netvlies
Hurkt een visser
Aan de oever
Van zijn eigen taal.

2 Ongenaakbaar
Trekt zijn wil
Kromme lijnen
Door het water.

3 Zonlicht scheert de woorden kaal.

4 Op de rivier
Draaien waterdragers
Onder de brug
Van hun gelijkenis
Door.

5 Zij zoeken een zin
Die niemand ooit had
Die niemand verloor.

6 De visser rijkt
subliminaal
naar een
Archaisch gebleekte taal

7 Zijn werk lijkt niet op wassend water
Dat van omhoog naar laag verschiet
Knoop zijn netten in uw oren
Zijn woorden zijn het water niet.

Geen opmerkingen: